De racefiets kiest z’n berijder, vrij naar Harry Potter | column

Maaike van der Plas

’De staf kiest de tovenaar.’ Ik was een jaar of negen toen ik dat las in ’Harry Potter en de Steen der Wijzen’. Ik wist toen alleen niet dat dat in mijn geval ook gold voor racefietsen.

Mijn huidige fiets heb ik nu drieënhalf jaar en destijds gekocht zonder al te veel aandacht te besteden aan de details. Na een paar maanden ben ik zelf wat gaan klooien om iets comfortabeler te kunnen rijden: zadel vervangen en naar voren geplaatst, stuur wat omhoog gekanteld en iets bredere banden gemonteerd. De fiets en ik hebben zo mooie avonturen beleefd, maar een perfecte match werden we nooit. En nu het stuur een beetje scheef staat, de remmen versleten zijn, de versnellingen haperen en het achterwiel los zit, is de tijd gekomen voor een upgrade.

Voor de nieuwe aanschaf laat ik een professionele bikefit doen. Ik krijg een rapport mee waarin exact staat beschreven hoe mijn atypische lichaam van 1.86 meter, voornamelijk benen met een relatief kort bovenlichaam en smalle schouders, het best op een fiets kan worden gezet. Gewapend met die gegevens stap ik de winkel binnen. Vooraf heb ik op internet naar allerlei merken gekeken en heb ik gespeeld met programmaatjes waarin je je nieuwe fiets zelf kan ontwerpen met allerlei kleuren en extra’s.

Helaas blijkt een deel van mijn plannen te optimistisch te zijn. Tijdens het coronatijdperk is heel Nederland op een racefiets gestapt. Door de gigantische vraag en de achterblijvende productie en leveringen (door diezelfde corona) is het aanbod momenteel beperkt. Wil je een specifiek merk, dan kun je soms maanden wachten op jouw fiets, als die überhaupt ooit beschikbaar komt. „Zelf een kleur kiezen?”, zegt de verkoper schamper. „Als ik dat voorstel aan de fabrikant, ben je zeker niet voor juni 2022 aan de beurt.”

Hij laat me een aantal modellen zien. Sommige vallen meteen af doordat de geometrie niet bij mijn lichaam past. Andere weiger ik na het zien van de beschikbare kleur; ik ben niet enorm kieskeurig, maar duizenden euro’s voor een paarse fiets is me een brug te ver. Uiteindelijk sta ik voor een zwart-witte Ridley. Hetzelfde merk waarvan ik op 12-jarige leeftijd mijn eerste racefiets heb gekregen. De verkoper kijkt moeilijk: „Ik weet niet of dit wel gaat lukken met jouw stuurbreedte en cranklengte. Die zitten er niet standaard op.” Hij verdwijnt in het magazijn. Er staat nog één Ridley met mijn maat. Blijkbaar had de fabrikant problemen met de levering van alle onderdelen, want de fiets is uitgerust met wat er kennelijk nog voorhanden was. Er zit een smaller stuur op en de cranks zijn kort: ongeschikt voor het gros van de wielrenners, maar perfect voor mij. De fiets kiest de renner.

Een kleine week later klik ik mijn voet voor het eerst in het pedaal. Mijn handen vinden de beugels van het aerodynamische stuur alsof ze nooit anders hebben gedaan. Elke bocht, strak ingestuurd zonder wiebelend achterwiel, brengt een grijns op mijn gezicht. Als ik de stad uit ben, begin ik snelheid te maken. Op dat moment verdwijnt alle resterende twijfel over mijn keuze.

Het voelt een beetje als magie.

Net binnen