Met smoezelige handen legde de dienster op elk bord drie komkommerschijven neer | column

Bert-Jan van Oel

We waren vijf dagen naar het noordoosten van Groningen. Appingedam om precies te zijn. Als ik vertelde waar ik heen zou gaan, werd er vreemd opgekeken en/of een beetje smiespelig gelachen. Wat moet je daar nou?

Allereerst: een prachtig landgoed met een hotel. Toen we dat eenmaal online hadden gevonden, deed het er niet meer zo veel toe waar het lag. Het had wat mij betreft ook in IJmuiden of Heerlen, om maar eens twee nare oorden te noemen, mogen liggen.

Verder plande ik een paar tripjes. We konden naar het Duitse Waddeneiland Borkum bijvoorbeeld. Toen we daar aankwamen was het ijskoud en bovendien vond ik het er tamelijk lelijk. Op de Nederlandse Wadden had ik het al niet zo, nu ging er ook nog een streep door Borkum.

Appingedam zelf was alleraardigst en van de plaatselijke middenstanders hoorden we hoe ernstig ze waren getroffen door de aardbevingen. Kinderen van noodschool naar noodschool, winkel ontruimen voor stutwerkzaamheden, weer inruimen en na de volgende beving opnieuw laten checken. Merkwaardig genoeg bleef de vrouw die ons het allemaal vertelde er hard bij lachen.

Na Bourtange en het gevangenismuseum in Veenhuizen was het tijd voor een ritje naar leuke dorpjes als Aduard en Winsum. Juist op het moment dat de trek in een stevige lunch toenam, viel er nergens een horecagelegenheid te ontdekken.

Eindelijk vonden we iets, waar we een tosti en een uitsmijter bestelden. Ik had de eerste hap al genomen toen de bediening nog kwam aansloffen met een stapeltje komkommerschijven. Alsof ze ermee zou gaan sjoelen. Met smoezelige handen telde ze op ieder bord drie groene sjoelschijven neer.

Wij zwegen beleefd, de Goedheid Zelve griezelde en ik dacht aan deze rubriek.

Net binnen