Joost Prinsen schrijft een brief aan zijn vrouw | column

Joost Prinsen

Ik kreeg via de app een foto waar mijn vrouw op staat. Ik heb weinig foto’s van haar en maar één kort filmpje. Stom natuurlijk. Zelfs toen ik wist dat ze niet lang meer te leven had, vergat ik haar te filmen. Ik ben niet groot geworden in het digitale tijdperk.

Zij kan me van gene zijde dus nauwelijks meer bereiken. Vandaar dat ik van deze kant maar een poging doe in haar richting. Gewoon even de stand van zaken doornemen.

Luister Emma: je uitvaart was heel druk bezocht. Tweehonderdzeven mensen volgens de meneer van de begrafenisonderneming, ik heb regelmatig voor minder mensen staan spelen. Wat betekent dat jij dood meer volk trok dan ik levend. Leuk is anders.

Ik heb met de dochters, ze stellen het goed, je as verstrooid in het Paterswoldsemeer niet ver van je geboorteplaats. Er kwam juist een avondzon door. Mooi moment, echt waar. Later kregen we tijdens het diner natuurlijk bonje, in de beste tradities van ons huwelijk. Dus daar zul je niet wakker van liggen.

Een week of drie na je dood stierf onze Kaatje. De arme hond was bijna veertien en helemaal op. De dierenarts maakte een lang verhaal heel kort. Even zo goed werd het stil op het Loo.

Ons huis in België heb ik diezelfde week verkocht. Ik had me voorgenomen een half jaar geen beslissing van belang te nemen. Maar ik wist heel zeker dat ik er met niemand anders dan met jou wilde zitten. Vandaar.

Om de rouw van me af te duwen heb ik thuis maanden zitten schrijven en twee boeken gepubliceerd. Eén daarvan draagt jouw naam, leuk toch. Toen ik later wat erg veel begon te janken, kwam een geduldige mevrouw eens per week met me praten. Naar me luisteren eigenlijk.

Dan nu het hoge woord: ik heb weer verkering. Je hebt gelijk gekregen, ik geef het tandenknarsend toe. De dame in kwestie is Noraly Beyer. Je hebt haar na een voorstelling wel eens ontmoet. Ik had haar in geen tien jaar gezien maar we lunchten samen ivm iets van de poëzie en na lang chatten en mailen raakte het aan. Ongeveer een jaar na jouw dood dus in ieder geval langer dan de zes maanden waar jij altijd van sprak.

Ik ben met haar in Suriname geweest. Als ik me goed herinner had jij verkering met een Surinaamse meneer vóór mij. En ik dus met een Surinaamse dame na jou. Laat ik het maar houden op de ronde cirkel.

Dan had ik je nog beloofd een groot feest te geven voor de hele familie en al onze vrienden. Dat heb ik gedaan toen ik tachtig werd. Lang na jouw dood, dat is waar maar dat kwam door de corona. Wat dat is leg ik je bij gelegenheid nog wel eens uit.

Of ik nog aan je denk? Waarom denk je verdomme dat ik deze column heb geschreven?

Net binnen